Archibald (6)
“Zeg nou eens wat je denkt, man”, zuchtte Sofie geïrriteerd, waarna ze met een ruk opstond en zich vervolgens begon aan te kleden. Ondertussen bleef ze hem aankijken, dwingend, al was hij een klein kind dat zijn zonden moest opbiechten, maar nog steeds volhield nergens wat mee te maken te hebben.
Archibald dacht dat ze het deels geïrriteerd en deels grappig bedoelde. Hij keek glimlachend terug en zei alleen maar:
“Honger.”
“Zak”, antwoordde Sofie teleurgesteld, en hoofdschuddend liep ze haar keuken in.
“Wacht nou even…”, riep Archibald, zonder op te staan, haar richting uit. Maar de woorden echoden terug, zonder reactie van haar, waarna hij enigszins zenuwachting ook maar opstond en richting keuken ging. Hij had zijn shirt en broek meegenomen om onderweg aan te doen, omdat hij vond dat je een serieuze discussie, die op de rol leek te staan, niet in ondergoed kon voeren. Toen hij de keuken had bereikt, zag hij dat ze koffie aan het maken was. Ze keerde haar gezicht duidelijk van hem af.
Net toen hij wat wilde zeggen, schrokken beide van een harde, doffe knal uit de woonkamer. Sofie duwde hem weg, waarna Archie al hinkelend, met een been in een broekspijp en zijn shirt half aan, haar achterna ging.
Archie hinkelde de woonkamer in en vond Sofie, snikkend op haar knieën voor de lege bank waarop haar moeder net nog lag.
“Ze is gevallen”, stamelde ze. “Hoe kan dat nu? Ik was zo voorzichtig, mama, sorry…” Haar moeder lag in een onnatuurlijke houding op haar buik, in de ruimte tussen de bank en het tafeltje. Sofie zat bij haar hoofd.
Waarschijnlijk was hij te snel en wankel richting de keuken gegaan en had al zijn beweging het lijk van de bank af laten glijden. Zonder iets te zeggen liep Archibald op Sofie en haar moeder toe. Zijn schuldgevoel, dat hij al sinds het moment dat hij besloten had om haar moeder vanochtend niet te helpen voelde, bereikte een hoogtepunt en sneed nog heviger dan eerst in zijn buik. Het ontnam hem zijn woorden. Hij wilde niets meer zeggen, niets meer toevoegen aan deze dag. Zijn iedere actie leek tot verdriet te leiden.
Zwijgend hurkte hij achter de moeder van Sofie, pakte voorzichtig haar bovenlijf met zijn ene arm en schoof zijn andere arm onder haar benen. Behoedzaam legde Archibald Sofies moeder terug op de bank, waarop ze al de hele ochtend had gelegen. Sofie legde haar vervolgens in een zo normaal mogelijke houding.
Toen alles weer in orde was, keek Sofie met een betraande glimlach naar Archibald.
“Thanks Arch”, fluisterde ze schokkering. “Dat je er bent en zo.”
Maar Archibald schudde beslist zijn hoofd. “Het spijt me zo, Sofie.”
Sofie wist dat hij het niet alleen had over net, maar over heel de dag. Misschien wel over ‘alles’. Over zijn zijn. Over het feit dat hij bestond en mensen om hem heen slachtofferde met zijn lethargie. Zijn nooit vervulde luiheid. Zijn onvermogen om zich iets aan te trekken van een ander, hoe zeer hij ook van hen hield, vóór dat zijn acties - of: niet-acties - consequenties hadden.
Ze pakte zijn hand en probeerde hem te sussen. “Kon jij niet weten allemaal, toch?”
Maar Archibald luisterde niet. Hij keek naar Sofie, lieve Sofie, die alles van hem had gepikt. Hij keek haar dode moeder, die hem, ondanks ‘alles’, nog steeds mocht. Hij had ‘alles’ al lang en breed gedaan. Maar nu pas, nu Sofie onherroepelijk breekbaar in zijn ogen was, nu hij uit onvoorzichtigheid Sofies moeder, de schat, had laten vallen, vlak na haar dood; nu pas kreeg het besef van de onomkeerbaarheid van zijn acties vorm, in de liefdevolle, betraande ogen van Sofie, die hem, ondanks ‘alles’, nog steeds wilden troosten. Zij, die nog steeds niet zonder te huilen naar haar dode moeder kon kijken, had medelijden met hém!
Zijn hele leven deed hij alleen maar wat hij zelf wilde. Goed dat hij was geworden in het aangaan en onderhouden obligate relaties, ontweek hij iedere vorm van diepere connectie en bagatelliseerde hij zijn eigen inbreng in het leven. Laat staan in die van anderen.
Maar nu was alles anders. Na al dat vluchten voor verantwoordelijkheid, was vandaag diezelfde vlucht iemand fataal geworden. En de lieve woorden, van die kwetsbare Sofie, maakte hem duidelijk dat zij snapte dat hij bang was voor de verantwoordelijkheid. Dus nam ze het van hem weg en troostte zij hém.
Het werd hem duidelijk dat hij zich gedroeg als een kind, dat maar geen man durfde te worden. En de mensen lieten hem en hielden van hem, om wie hij was. Ondanks ‘alles’.
Vandaag zou hij hier verandering in gaan aanbrengen. Hij nam zich voor in ieder geval de rest van de dag bij Sofie te blijven