“Wat denk jij dat de betekenis van dit alles is?”
Sofie en Archibald lagen terug op de bank, grenzend aan die waar Sofies moeder nog steeds, of opnieuw, op lag. Beiden in gedachten, lagen ze in elkaar verstrengeld. Sofie was de eerste die de hare durfde te uiten. Archibald was daar nog lang niet klaar voor. Hij voelde Sofie zachtjes tegen zijn borsthaar ademen. Haar vraag haalde hem uit zijn eigen gedachten weg, maar pijnigde hem tegelijkertijd. Alleen al de gedachte dat alles waar hij mee bezig was geweest tot dan toe in zijn leven betekenis zou moeten hebben, was voor hem een dusdanige confrontatie met zichzelf, dat hij er liever niet aan dacht. Want wat was de daadwerkelijke reden van een leven dat maar voortkabbelt over nietsbetekenende hobbeltjes, een leven waarin de dagen elkaar verslonden zonder dat iets ook maar betekenis of waarde had? Dat dit allemaal iets zou moeten betekenen, en deze dag in het bijzonder, maakte hem wanhopig.
“Hey”, fluisterde Sofie, en ze gaf een kopje tegen zijn borst. “Ik vraag je wat.”
Archibald schudde wakker uit zijn gedachten, keek in de breekbare ogen van Sofie en verstijfde. Ze had iets kwetsbaars gekregen. Ze vloekte niet meer, ze had al even geen nieuwe sigaret opgestoken en nu lag ze ontdaan van al haar kleren in zijn armen, terwijl ze met haar nog vochtige ogen in die van Archibald zocht naar antwoord op diepzinnige levensvragen. Haar kwetsbaarheid zorgde voor ongemak bij Archibald. Hij voelde dat het zijn beurt was om iets te zeggen waar zij zich aan zou kunnen vasthouden. Iets troostend, iets krachtigs. Iets met betekenis.
“Ik vraag je wat!”, drong Sofie nog een keer aan. Met een glimlach weliswaar, maar in haar ogen lag de breekbare behoefte te zien om getroost te worden. Ze kneep in de arm van Archibald, om hem nog meer aan te sporen om iets te zeggen.
“Ik weet het niet”, zuchtte Archie, ten slotte. Het was tijd om te gaan, dacht hij. Hij voelde zich opgejaagd en gespannen, door de behoefte van Sarah om vastgehouden én getroost te worden. Hij dacht aan verantwoordelijkheid. Hij voelde zich een voorbijganger die iemand uit zijn ooghoeken ziet verdrinken op afstand. Ben je in die situatie verantwoordelijk? Als je iemand ziet verdrinken omdat je toevallig die kant op keek? Wordt het leven van die ander dan direct jouw verantwoordelijkheid? En als je dezelfde route had gelopen en niet juist op dat moment om had gekeken? Was je dan niet verantwoordelijk geweest voor degene die verdronk? Was hij nu Sofies reddingsboei omdat hij vandaag langsgekomen was? Had hij nu de verantwoordelijkheid gekregen om haar te helpen, puur omdat hij deze ochtend naar haar toegekomen was?
“Vraag jij jezelf dat nooit af?”, vroeg Sofie zachtjes. “Ik bedoel: mijn moeder is vandaag doodgegaan en ik duik het bed in met mijn ex die nergens wat om geeft. Als dit de betekenis van het leven is, maak ik er liever direct een einde aan…”
“Dat moet je niet zeggen”, zei Archibald geschokt.
Sofie richtte zich op en keek Archie aan. “Dat heb je nog nooit tegen mij gezegd!”
“Wat?”
“Dat ik iets niet mag doen.”
“Oh, echt?”, vroeg Archibald zo onopvallend mogelijk.
“Ja!”, riep ze en ze stond op van de bank. “Je hebt nog nooit iets van iets gevonden. Ik rook, vloek als een schipper, kleed me als een dakloze, maar nu, als ik het over de dood, dan vind je opeens ergens iets van.”
“Wat? Waar heb je het over?”, reageerde Archibald gespannen. “Ik ben altijd geïnteresseerd in jou.”
“Nee hoor, lieve jongen”, schamperde Sofie, “Dat ben je niet. En dat geeft ook niet, doe wat je wilt. Maar als ik er een einde van wil maken, doe ik dat ook. Wat vind je? Overdosis van het één of ander? Ik ga niet voor een trein, hoor …”
“Stop!”, schreeuwde Archibald opeens uit volle kracht. “Stop! Stop!”
Hij had tranen in zijn ogen en ademde moeilijk.
“Stop. Zeg dat soort dingen toch niet.”
Sofie schrok van de man die voor haar stond. In haar herinnering deed Archibald alle dingen die van enig belang waren af met een getuite mond, een schouderophaal en een binnensmonds gemompel. Maar nu zag zij een man die met een verbeten grimas kauwde op zijn kaken. Zijn normaal gesproken ontspannen wenkbrauwen stonden in een scherpe hoek naar beneden en de aderen rond zijn slapen leken te kloppen.
“Wat heb jij nou weer? Doe normaal, gek”, zei Sofie angstig. Ze wilde weglopen, maar Archibald pakte haar polsen vast, zodat ze niet verder kon lopen.
“Laat me los, man. Wat heb jij opeens?”, vroeg ze angstig en boos tegelijkertijd. Archibald zag met grote ogen het boze gezicht van Sofie, met haar betraande, angstige ogen en haar trillende mond. Hij schrok van haar aanblik en liet haar direct los.
Sofie stormde naar haar slaapkamer en Archibald bleef zitten. Nadenkend over zichzelf, over het ongemak en de woede die hij voelde, over zijn reactie die ook uit het niets kwam. Hij schudde zijn hoofd, probeerde voor een seconde aan iets anders te denken dan het betraande, verwarde gezicht van Sofie. Toen keek hij naar Sofies moeder, die daar maar lag.
Op dat moment begreep hij waarom hij hier was. En waarom hij nu niet weg kon.